Arty, een historische roman – hoofdstuk 19: “Wég Verhooft, vér uit mijn hoofd!”

Iedere zondag lees je bij Zin in Koffie een nieuw hoofdstuk van de historische roman ‘Arty’, van schrijfster Henriëtte de Smet. Deze week hoofdstuk 19.

Arty werkt nu twee maanden in de fourniturenwinkel en koopt een woordenboek om haar klanten beter te begrijpen. Toch mist ze stilletjes ook meneer Verhooft.

April 1910

Al zeg ik het zelf: in twee maanden tijd heb ik me toch maar mooi alles over het artikel fournituren eigen gemaakt. Mevrouw en meneer Fournituur, zoals ik ze in gedachten noem, hebben, voor zover ik weet, er niets van gemerkt dat ik er eerst geen bal vanaf wist. De klanten ook niet, denk ik. Wel moet het ze zijn opgevallen dat ik ze soms niet begreep, gewoonweg echt niet snapte wat ze met een zin of een woord bedoelden. Met een heet hoofd probeerde ik er dan toch maar een slinger aan te geven en eigenlijk lukte dat ook altijd best wel goed. Maar toen ik op een mooie avond op de hoek van de gracht een kar met allemaal boeken erin zag staan, was ik er als de kippen bij.

‘Wat mooi zeg, ze lijken wel nieuw!’ zei ik tegen de man erachter.
‘Ja juf, zolang wij hier in Mokum geen uitleenbibliotheek hebben, doen we het zo. En alles voor een schijntje natuurlijk!’ 25 cent armer was ik een woordenboek rijker. De nieuwe woorden die ik elke avond repeteer als ik sta te schilderen, zoek ik nu allemaal op in het boek. Dan weet ik tenminste precies wat ze betekenen. Soms herhaal ik hele zinnen en probeer de woorden anders achter elkaar te zetten, er nieuwe aan te voegen om te zien of ik ze ook op een andere manier kan gebruiken. En ja, daar heb ik eigenlijk net zo’n lol in als vroeger, toen ik alle die dag op school geleerde woorden ‘s avonds in bed net zo vaak oefende totdat ze zonder de Kampense uitspraak muurvast in mijn hoofd zaten.

Neuriënd pak ik de rollen lint uit de kist en leg die nu eens niet in de daarvoor bestemde vakken, maar hang ze netjes naast elkaar aan de muur achter de toonbank. Het brede scala van kleuren fleurt de hele winkel op. Dat zou Verhooft eens moeten zien, zoveel kleuren naast elkaar zonder dat er een mengpalet aan te pas is gekomen. ‘Wég Verhooft, vér uit mijn hoofd!’ zeg ik hardop de woorden die ik wel vijf keer per dag herhaal: één keer bij het opstaan, één keer tegen sluitingstijd, en minstens een keer of drie na negen uur ‘s avonds als ik thuis vonkend aan een doek bezig ben. Verhooftend. Gewoon, tussen de die dag geleerde woorden door. En altijd één keer bij het uitblazen van de kaars voordat ik ga slapen, dan is die vonk ook weer gedoofd. 

Gisteravond, met mijn gezicht in het kussen en mijn handen niet boven de deken maar op plekken die het daglicht niet mogen zien, heb ik besloten dat ik het woord vonk hoe dan ook uit mijn woordenboek moet schrappen. Met de bijbelse spreuken van moeder is dat tenslotte ook gelukt. Vonk is vanaf nu alleen mijn achternaam. Vanochtend, op weg naar de winkel, dacht ik voor de zoveelste keer hem te zien lopen. Dit keer versnelde ik mijn pas totdat ik ademloos vlak achter hem behoedzaam de ene voet voor de andere zette. In mijn buik begon er weer van alles te fladderen door zo dicht bij hem te zijn, zonder dat hij het in de gaten had. Hem gewoon van achteren te kunnen bespringen.

Toen hij even stilhield voor een etalage, stond ik perplex. Dat was helemaal niet Verhoofts neus, niet zijn kin, of zijn voorhoofd met die rare dikke ribbel boven zijn wenkbrauwen. Alleen de donkerblonde krullen klopten. En zijn houding, van de achterkant.

Ik stopte ermee toen er ruzies kwamen en Betsy aftrad. Toch was het doel goed: onze kunstwerken werden verkocht door het Rode Kruis, eigenlijk voor het eerst dat wij ook eens iets verdienden.

Dat ik ooit zo zou verdwalen. Moeder was laatst zo blij geweest met mijn nieuwe werk, mijn nieuwe leven in mijn nieuwe huis. ‘Heel verstandig schat!’ – ze had me zelfs schat genoemd – ‘dan kom ik een keer naar Amsterdam om te zien hoe je nu woont. Dat wordt mijn doel om voor te sparen, op een goede dag zal ik echt drie gulden negentig over hebben om jou met de trein op te komen zoeken. Ik ben zo blij dat je gedachten gekeerd zijn!’

Trots had ik gemeld daar zelf ook heel blij mee te zijn. ‘Ze zijn gekeerd, want het was verkeerd!’ Bij het afscheid had ik tegen haar gezegd dat dit voorlopig mijn laatste bezoek aan Kampen was geweest, omdat ik het echt niet meer kon betalen nu ik natuurlijk de huur van mijn huis had, en verder ook alles zelf moest kopen.
Warm had ze me omhelsd: ‘Dat begrijp ik en ik heb er vrede mee nu ik weet dat je goed zit. Aartje, als je eens wist hoe veel zorgen ik me heb gemaakt!’
Ik grapte dat als ik dit nu nóg niet wist, ze echt aan mijn verstand moest gaan twijfelen. Ter verhoging van de feestvreugde had ik haar een spreuk ingefluisterd die zeker in haar straatje zou passen: ‘Onderzoekt alles, maar behoudt het goede. En dat heb ik gedaan, het goede behouden!’

Het belletje rukt me uit mijn gedachten. Een chic geklede, oudere dame stapt kordaat naar binnen. ‘Goedemiddag juffrouw, ik kom voor gaas en borduurgaren, dat heeft u wel?’ ‘Natuurlijk mevrouw, zo veel als u wilt. ‘ Ik loop naar de tafel waar de garens en het gaas naast elkaar liggen. ‘Wat hangen die linten daar mooi, al die kleuren zo uitgekiend naast elkaar,’ zegt ze met haar blik naar de toonbank. ‘Ja, vindt u het mooi? Ik heb ze daar net opgehangen, eens wat anders dan weggestopt in de schappen.’ ‘Vooral de manier waarop, soms lopen de kleuren in elkaar over, maar daaronder contrasteren ze juist enorm.’ Ze zwaait enthousiast met haar wijsvinger. ‘Schitterend, het werk van een kenner!’

‘Nou, dat is te veel eer, hoor. Zó’n kenner ben ik nu ook weer niet. Wel werk ik graag met kleur, vooral als ik schilder.’ ‘Schilder je? Ach, wat mooi!’ Dromerig slaat ze haar ogen op naar het plafond. ‘Schilderen, dat heb ik ook altijd wel gewild, maar bij gebrek aan talent ben ik maar gaan borduren. Hele wandkleden heb ik gemaakt. En servetten, heel veel servetten voor Arbeid Adelt. Nu doe ik het voornamelijk nog voor mijn plezier.’ ‘Arbeid Adelt?’ Meteen kan ik mijn mond wel dichtslaan, want dat zou ik vast moeten kennen. ‘Ja, dat weet jij toch wel? Hoe lang werk je hier al, meisje?’ ‘Twee maanden mevrouw, maar ik kom van het platteland en weet nog niet alles van hier.’

‘Dat hoeft ook niet, hoor. Het is al heel lang geleden dat ik daarvoor werkte. Ik denk wel veertig jaar. Ach ja, die club van Betsy Perk, dáár heb ik leren borduren! Hun leus kan ik nog steeds dromen: Verbetering van het lot van de onvermogende vrouw uit beschaafde stand door aanmoediging en bevordering van haar kunst- en arbeidszin.’ Ze dreunt het op alsof ze de tafel van twee opzegt. ‘Ach, maar wat raaskal ik nou, dat was toen, zoals ik al zei: lang geleden.’

‘Wat mooi zeg. Waar is dat?’ ‘Het bestaat niet meer in die vorm. Ik stopte ermee toen er grote ruzies kwamen en Betsy aftrad. Een paar jaar geleden is ze overleden. Toch was het doel goed: onze kunstwerken werden verkocht door het Rode Kruis, eigenlijk voor het eerst dat wij ook eens iets verdienden.’ Ik moet lachen om de spot waarmee ze ‘kunstwerken’ uitspreekt. ‘De vereniging is er nog wel hoor, onder een andere naam, iets met Tesselschade dacht ik. Welnu, mijn dochter weet daar inmiddels veel meer van dan ik.’

Wil je meer verhalen van Henriëtte lezen?

Henriëtte de Smet heeft meerdere romans geschreven die overal in de winkel te koop zijn. Van historische romans zoals ‘Arty’, tot spannende romans als ’10 Denier’ over de fascinatie van een eenendertigjarige vrouw voor haar minnaar.

Last en Liefde omslagfoto

Last en Liefde

Auteur: Henriëtte de Smet 
Uitgeverij: Omniboek
EAN: 9789401909808

Dit vind je misschien ook leuk
Eigen prikbord maken
Lees verder

Je eigen prikbord maken voor 2024

Met het nieuwe jaar komen er ook nieuwe voornemens. Daarom gaan wij nog snel een eigen prikbord maken om deze voornemens een mooie plek te geven!