Arty, een historische roman – hoofdstuk 5: “Tekenen brengt je nergens”

Iedere zondag lees je bij Zin in Koffie een nieuw hoofdstuk van de historische roman ‘Arty’, van schrijfster Henriëtte de Smet. Deze week hoofdstuk 5.

Arty komt achter dingen die ze nog niet wist van haar vader. Maar dat is niet het enige, ze komt er ook achter waarom haar moeder zo'n grondige hekel heeft aan kunstenaars en waarom ze niet wil dat Arty er één wordt.

Met de verftubes en het papier, die ik van Nelly Court heb gekregen, ga ik thuis meteen naar vaders laatje. Waarvan ik nog steeds niet weet waarom het er is en waarom het streng verboden is. Waarom moeder die potloden en kwasten eigenlijk bewaard heeft. Voordat ik het etui in de zak van mijn schort stop, open ik de flap nog even en lees de woorden van mijn oma aan mijn vader. 

Ik word helemaal warm bij het idee dat ik dus ook een oma heb. Of had. Moeders ouders heb ik nooit gekend omdat ze jong zijn gestorven. Ja, lieve Johan heet vast net als zijn moeder Van Campen, want Jacob Jacob, dat is toch geen voor- en achternaam? Als hij mij gewild had, was ik dus Aartje van Campen geweest. Maar wat maakt het uit. Namen zeggen niets. Alleen dat Jacob Jacob. En daar kom ik achter als ik hem heb gevonden, later als ik groot ben.

Ja, dat was toen. Hoe lang geleden wel niet? Moeder tuurt naar het tafelblad. Ze heeft zich op haar zondags aangekleed: de zwarte jurk, haar zwarte kousen in schoenen die ook zwart zijn. Net zoals haar hoedje dat ze nu heeft afgezet, dat is alleen voor de kerk. Ik wil haar neergeslagen ogen kussen. Haar ingevallen wangen, de frons boven haar neus, de rimpel op haar kin, haar grijze haren, strak vastgebonden in een knotje. Mijn armen om haar smalle schouders slaan.

“Het is fijn hoor, in Amsterdam. Het is echt een heel goede betrekking die…” “Die had je hier toch ook?” “Ja moeder. Maar dit gesprek hebben we al gevoerd. U weet toch…” “Natuurlijk.” Ze staat op. “Wil je thee?” “Lekker!” Ze loopt naar het aanrechtje, schenkt water uit de kan in de pan en zet die op het vuur. “Gelukkig heb ik de kachel en het fornuis vanochtend nog opgestookt, anders was het niet te harden hier.” Nu zie ik pas de kachel in het midden van de kamer, naast haar bed.

“U heeft een kachel! Hoe…?” “Van jouw mevrouw. Ze is zo barmhartig om mij niet te vergeten. Ze deed die kachel weg en kwam vragen of ik misschien interesse had. Een grote kist kolen kreeg ik er zomaar bij.” “Wat fijn. En wat vriendelijk van mevrouw!” “Zeker. Er bestaan ook nog goede mensen. Daarom is het ook zo jammer dat jij…” “Ja moeder, ik weet het. Maar ik leer nu andere, ook goede mensen kennen. U moet niet zo bang zijn, alles gaat goed.” 

Ze gaat weer tegenover me zitten en neemt een slok van de thee. Voor het eerst kijkt ze me aan. “Ik bang? Nee hoor, Aartje. Je moet maar doen wat je niet laten kunt.” “Wat ik niet laten kan?” “Jij wilt toch steeds alleen maar tekenen? Daarom zit je daar toch ook bij die familie. Kom, hoe heten ze ook weer?” “Meneer en mevrouw Verhooft.” “O ja. Alleen maar daarom, toch?” “Ik heb meneer Verhooft nog helemaal niet gezien. Geen idee wie dat is. Los daarvan heb ik niemand nodig. Tekenen doe ik toch wel.”

‘Godspenningen?’ Ik wist het. Zodra het woord God ergens in voor komt, wil moeder er alles over weten.

“Tekenen brengt je nergens. Dat zeg ik al sinds je zesde. Toen kwam het trouwens wel goed uit als we weer eens geen droog brood hadden, want je vergat gewoonweg te eten. Achteraf neem ik mezelf dat wel kwalijk. Ik had je van dat tekenen af moeten houden, je nooit dat papier moeten geven, ik had je beter…” “Moeder, hou op! U had helemaal niks beter kunnen doen. Laten we het nou eens ergens anders over hebben. Ik blijf altijd tekenen. Altijd.” “Je hebt er niet de juiste achtergrond voor. Daarbij is het iets voor mannen.” “Omdat vader…” Haar voorhoofd telt honderd rimpels meer dan daarnet. Dit had ze niet verwacht, en ik ook niet. Nu heb ik het toch gezegd. Wat ik nooit wilde, en zij ook niet.

“Nee,” zegt ze. “Nou ja, dat ook. Misschien.” “U vindt het naar dat ik graag teken, omdat vader… Dat is toch niet eerlijk? Ik ben vader niet, ik ben het die graag tekent, ik! En ik houd van u, ik zou u nooit verlaten. Nooit!” Het is eruit voordat ik er erg in heb. Moeder kijkt naar me op, en gaat meteen het tafelblad weer bestuderen. Het topje van haar wijsvinger volgt de weg van een nerf in het afbladderende hout.

“Kunstenaars, het zijn allemaal schobbejakken. Profiteurs. Denken niet, doen alleen maar. Leiden een frivool bestaan. Uitzinnig, alles voor de kunst. Kroegen, drank en vrouwen. Schatje hier, schatje daar. Je vader was beslist geen uitzondering. Maar laten we het er verder niet meer over hebben.” “Jawel. Laten we dat nu juist wel doen! U had geen andere keuze toen, dan te gaan poetsen totdat u erbij neerviel. Van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat heeft u geploeterd om ons dit te kunnen geven.” Ik spreid mijn armen zo wijd mogelijk. “U heeft mij een geweldige jeugd gegeven. Het moet u goeddoen, dat u dit helemaal alleen voor elkaar heeft gekregen.” In haar ogen zie ik een korte glinstering. Toch iets van trots? “Dat je wel goed oppast, weet waar de gevaren liggen.”

“Natuurlijk. Die heeft u me toch allemaal verteld.” Ik voel dat ze iets meer ontspant, waardoor ik ook rustiger word. En de leegte uitblijft. “Het is echt een fijn huis hoor, wel wat stijf. Die mevrouw, dat is best een rare. Ze lijkt mij niet erg, hoe zeg je dat.” Ik haal mijn schouders op. “Dat maakt me ook niet uit. Ik krijg een gulden vijftig per week. Een gulden vijftig! Dat is drie keer zoveel als hier. En dan ben ik nog intern ook, inclusief kost en inwoning, zoals dat heet. En mevrouw doet niet aan godspenningen. Wel zo gemakkelijk.” “Godspenningen?” Ik wist het. Zodra het woord God ergens in voor komt, wil moeder er alles over weten. “Ja,” zeg ik, genietend van mijn binnenpretje. “De godspenning wordt in Amsterdam gegeven als een dienstbode wordt aangenomen. Meestal is die vijf procent van het jaarloon. Ik denk dat mijn mevrouw eerst maar eens moet zien of ik het er wel een jaar uithoud. Ik ook trouwens!” 

Ik kan mijn ogen bijna niet geloven, maar moeder lijkt te glimlachen. Twee tellen, langer niet, maar ik heb het gezien. “Als ik het er niet uithoud, kom ik natuurlijk weer terug. En graag ook.” “Je moet maar doen wat je niet laten kunt,” zegt ze nog een keer. “Maar Aartje, neem één raad van me aan: ga niet door met dat tekenen. Zet het uit je hoofd. Natuurlijk is het goed om je even af te leiden van de dagelijkse dingen, maar verder alsjeblieft niet. Tekenen, schilderen, beeldhouwen, het is iets voor mannen. Gij zult u geen gesneden beeld maken, dat zegt de Heer niet voor niets.” “Ik ben geen beeldhouwer, dus ik snijd niks.” “Nee, jij bent nou juist zo’n mooie, levenslustige vrouw. Met nog een heel leven voor je. Verkwansel dat niet aan de zogenaamde kunst. Die heeft nog nooit iets anders dan ellende met zich meegebracht voor degenen die daar heilig in geloofden. Een armoedig, bitter, zwaar bestaan. Wees een vrouw, laat dat eeuwig tekenende kind in je varen en maak een mooi leven. Als vrouw.” 

Zoals u dat ook gedaan heeft? slik ik net op tijd in.

Wil je meer verhalen van Henriëtte lezen?

Henriëtte de Smet heeft meerdere romans geschreven die overal in de winkel te koop zijn. Van historische romans zoals ‘Arty’, tot spannende romans als ’10 Denier’ over de fascinatie van een eenendertigjarige vrouw voor haar minnaar.

Last en Liefde omslagfoto

Last en Liefde

Auteur: Henriëtte de Smet 
Uitgeverij: Omniboek
EAN: 9789401909808

Dit vind je misschien ook leuk